Het kan nog erger

 

De huidige pandemie wordt wel eens vergeleken met de grote pestepidemie die Europa teisterde gedurende vijf jaar, van 1347 tot 1352 om precies te zijn. De naam Zwarte Dood is pas later ontstaan; tijdens de eerste epidemie werd de naam ‘Pest’ of ‘Grote Sterfte’ gebruikt. Hoewel het sterftecijfer sterk varieerde van streek tot streek, komt de totale schatting van hedendaagse statistici uit op ongeveer hetzelfde cijfer dat de veertiende-eeuwse kroniekschrijver Jean Froissart terloops aanduidde met de woorden: ‘een derde van de wereld stierf’. In hoeverre gaat de vergelijking met de huidige pandemie op, zowel wat de ziekte zelf betreft als ten aanzien van de maatregelen die genomen werden om de ziekte op afstand te houden.

 

Door Jeanne van der Stappen - Heyvaert

VVAO, Afdeling Hengelo

 

Omdat men het begrip besmetting niet kende, voelde men zich in Europa niet ernstig bedreigd tot op het moment dat de handelsschepen hun zwarte lading pestilentie Messina binnenbrachten, terwijl andere schepen uit de Levant de ziekte naar Genua en Venetië overbrachten. Men was zich er wel van bewust dat men moest vermijden om met slachtoffers in aanraking te komen. Wie het zich kon permitteren probeerde de besmettingshaarden te ontvluchten door zich op het platteland terug te trekken.

 

Behandeling

De zieken werden behandeld volgens gangbare methoden die moesten dienen om gif of infectie uit het lichaam te verwijderen: aderlatingen, purgatie met laxeermiddelen of klysma’s, het doorprikken of dichtschroeien van de builen of het aanbrengen van hete pleisters. Geen van deze middelen was van veel nut. De artsen adviseerden de vloeren te besprenkelen en de handen, de mond en de neusvleugels te reinigen met azijn en rozenwater. Men moest bij het uitgaan een amberappel (pomander) van exotische samenstelling bij zich dragen, waarschijnlijk meer als middel tegen de stank die de pest verspreidde, dan als bescherming tegen besmetting. Verder werd aangeraden om licht verteerbaar voedsel te eten, opwinding en boosheid, vooral vlak voor het slapengaan, te vermijden, lichte oefeningen te doen en voor zover dit mogelijk was ver van moerassen en andere plaatsen met vochtige lucht te gaan wonen.

 

Vrouwen kwetsbaarder

Vrouwen bleken kwetsbaarder dan mannen, wellicht omdat zij, vanwege het feit dat ze meer aan huis gebonden waren, meer blootgesteld waren aan vlooien. Onder de geestelijken en de artsen was de sterfte vanzelfsprekend hoog, vanwege de aard van hun beroep. Het verlies onder priesters was ongeveer even groot als onder de bevolking in haar geheel, ondanks het feit dat velen zich trachtten te onttrekken aan hun plicht de stervenden bij te staan. Als gevolg daarvan stierven de mensen zonder voorzien te zijn van de laatste sacramenten en werden ze zonder gebeden begraven, een vooruitzicht dat de laatste uren van de slachtoffers tot een verschrikking maakte. Paus Clemens VI achtte het daarom noodzakelijk vergeving van zonden te schenken aan al degenen die ten gevolge van de pest waren gestorven, ook als zij de laatste sacramenten niet hadden ontvangen.

 

 

Kroniek

Een voorstelling van een pestepidemie in de Nederlanden vindt men voor het eerst in een eigentijdse kroniek. In de Tractatus quartus van de vierdelige kroniek van Gilles li Muisis, abt van de Sint-Martinusabdij te Doornik, lezen we dat de Zwarte Dood in Doornik heerste van augustus tot november 1349. Hij schat het aantal pestdoden op vijfentwintigduizend.

De miniatuur op folio 24 toont een realistische afbeelding van het begraven van pestdoden in Doornik. Overal in de verslagen wordt gesproken over het feit dat de zieken zo snel stierven, dat de levenden geen tijd hadden om hen te begraven. ‘De lijken van wie gestorven zijn aan de pest dienen direct gestort te worden in graven van twee meter diepte die voortdurend klaar moeten staan.’ Toen er geen doodskisten meer te krijgen waren om de lijken te vervoeren, werden de lijken per twee of drie tegelijk op planken gelegd om naar de begraafplaatsen of massagraven te worden vervoerd.

 

Angst

De stad was vol rouwbeklag en werd geregeerd door angst, zodat de autoriteiten het luiden van de doodsklokken, het omroepen van doodsberichten en het dragen van rouwkleding verboden en bepaalden dat er bij begrafenissen slechts twee rouwenden aanwezig mochten zijn. Omdat de pestuitbraak werd gezien als een straf van God voor de zonden van de inwoners, vaardigde het stadsbestuur van Doornik voorschriften uit om alles wat als zondig beschouwd werd – gokken, vloeken en drankgelagen - uit te bannen. Koppels die samenwoonden zonder getrouwd te zijn werden gedwongen te scheiden of alsnog in het huwelijk te treden.

 

 

Onbekende afkomst

Omdat niemand wist waar de Zwarte Dood vandaan kwam, kregen minderheden de schuld. Zij zouden waterbronnen vergiftigd hebben of op een andere manier besmetting veroorzaken. Deze gedachte leidde tot vervolging van jodenbedelaars en mensen met lepra. Vooral joden kregen te maken met keiharde vervolging, vooral in Zwitserland en Duitsland, met tienduizenden Joodse slachtoffers tot gevolg. Op grond van dergelijke beschuldigingen werden in 1349 in verschillende IJsselsteden, alsook in Arnhem, Nijmegen en Utrecht, alle joodse inwoners verbrand. De laatste grote pogroms in de Lage Landen vonden in 1349 plaats in Antwerpen en in Brussel, waar volgens de Doornikse kroniekschrijver Gilles li Muisis de gehele joodse gemeenschap van meer dan zeshonderd joden werd omgebracht.

 

Pogroms

De rituele terechtstelling van de joden – meestal door verbranding – verspreidde zich al even snel als de pest zelf. De pogroms vonden door heel Europa plaats maar het geweld was vooral in het Rijnland erg heftig. Honderden gemeenschappen werden tussen 1348 en 1351 vernietigd, meestal zonder dat de overheid probeerde in te grijpen. Een oproep van paus Clemens VI (Pierre Roger de Beaufort) om de joodse gemeenschappen te sparen werd bijna overal genegeerd. Hij verleende tijdens de pestuitbraak van 1348 asiel aan de joden in Avignon. Hij veroordeelde de flagellanten, die de joden de schuld gaven van de pest.

 

Dodelijk

In sommige gebieden deed de pest haar dodelijke werk binnen vier tot zes maanden en verdween daarna, behalve in de grotere steden waar de ziekte zich in de dicht opeen wonende bevolking nestelde en gedurende de winter in hevigheid afnam om in de lente de kop weer op te steken en opnieuw zes maanden lang te woeden. De rijken vluchtten naar hun buitenhuizen zoals Boccaccio’s jonge patriciërs uit Florence die neerstreken in een landelijk paleis ‘dat aan alle kanten ver van de wegen verwijderd lag’ en was voorzien van ‘bronnen vol koel water en kelders gevuld met zeldzame wijnen’.

 

Toen de pest in 1347 Florence teisterde trokken zeven jonge vrouwen en drie jonge mannen zich terug op een landgoed buiten de stad. Zij vermaakten zich ondermeer met het vertellen van honderd verhalen, die Giovanni Boccaccio naar eigen zeggen heeft vastgelegd in de Decameron. Voordat de eigenlijke verhalen beginnen, geeft Boccaccio een beschrijving van de Zwarte Dood in Florence: ‘Het was in het jaar onzes heren dertienhonderd achtenveertig toen in de edele stad Florence, de parel aan de kroon van Italiaanse steden, de dood en verderf zaaiende pestepidemie uitbrak, die door een noodlottige samenstand van de hemellichamen of door de rechtmatige toorn van God om onze wandaden over het hoofd van de stervelingen was neergedaald.

[…] Bij ons begon de ziekte zowel bij mannen als bij vrouwen met gezwellen in de liesstreek of onder de oksels, die soms de omvang kregen van een appel of een ei en die bij de een talrijker waren dan bij de ander. In de volksmond werden deze zwellingen karbonkels genoemd. Vanuit die twee plaatsen zaaiden de dodelijke builen zich binnen de kortste keren uit over het hele lichaam, dat weldra ook overdekt was met zwarte of asgrauwe vlekken, die op armen en dijen en op andere lichaamsdelen verschenen, bij de een groot en gering in aantal, bij de ander klein en talrijk. En niet minder dan de karbonkels waren deze vlekken een onmiskenbaar teken van een onafwendbare dood.’

[…] Als een paar priesters met een kruisbeeld een dode waren gaan afhalen, gebeurde het talloze malen dat drie of vier dragers zich met andere doodskisten bij hen aansloten. Aangezien de gewijde grond niet toereikend was om de ontelbare lijken te ontvangen die iedere dag en bijna ieder uur bij alle kerken werden aangeboden, en men toch naar aloud gebruik iedereen aan de schoot der aarde wilde toevertrouwen, werden op de kerkhoven lange groeven gemaakt, waarin de nieuw aangekomen met honderden tegelijk werden neergelegd, of beter gezegd zoals in een scheepsruim in lagen op elkaar gestouwd, en uiteindelijk met een flinterdun laagje aarde bedekt.’

(Citaten uit Frans Denissen, Decamerone, vertaling uit het Italiaans van Giovanni Boccaccio, Decameron, 1349-1353. Manteau Antwerpen, 1981.)

 

Illustraties

 

Kroniek van Gilles li Muisis, Doornik, 1349- 50

Perkament, Frans

Brussel, Koninklijke Bibliotheek van België [hs.13076-77]

Folio 24 verso: Begrafenis van de pestdoden

Folio 12 verso: Verbranding van joden

 

Getijden- en gebedenboek, Parijs, ca. 1425 -1430

Perkament, Latijn en Frans, 223 x 258 mm

New York, The Pierpont Morgan Library

Folio 133 verso: Een begrafenis door een gilde of broederschap

 

 

 


Schrijf je in voor 'The VVAO Post'

Snel naar
Home
Over VVAO
Afdelingen
Agenda
Nieuws
Privacystatement
Cookie statement

Contact
VVAO Kantoor 
Herengracht 237a
1016 BH Amsterdam
kantoor@vvao.nl

© 2021 V.V.A.O.. ALL RIGHTS RESERVED