8 minuten lezen

“Loslaten en probeer niet te oordelen.” Mijn yogalerares geeft dat advies elke les weer. Wat is dat moeilijk! En niet alleen bij yoga. Ook bij het lezen van ‘The Man In The Wooden Hat’ van Jane Gardam, betrapte ik mezelf erop dat ik vaak dacht dat ik wist hoe het zat. Niet dus. Ook in dit tweede deel van de trilogie ‘Old Filth’ is niets wat het lijkt. Ik sprak over dit boek met Ina Kroeze, liefhebster van de Engelse taal en literatuur, oud docent Engels en tot 2017 afdelingsleider van het Isendoorn College in Zutphen. Ina Kroeze is coördinator van de Engelse literatuurkring 2 van de VVAO Afdeling Zutphen/Achterhoek.

 

Wat was jouw eerste reactie na het lezen van dit boek?

“We lazen dit boek in onze kring en waren eigenlijk een beetje teleurgesteld. We vonden ‘Old Filth’ veel mooier. Er bleef zoveel onbekend over de hoofdpersoon, Betty. Waarom is alles zo geheimzinnig? Waarom weten we niet meer? Was het misschien ook zo bedoeld door Gardam? Voor dit interview besloot ik het boek nog een keer te lezen en zag opeens allerlei subtiele aanwijzingen in de tekst. Toen begreep ik dat die leemtes passen bij de ontwikkeling van de hoofdfiguur, van Betty. En ik dacht: ‘Oh, Jane Gardam, wat ben je toch een slimme vrouw!’ ”

 

Oh, Jane Gardam, wat ben je toch een slimme vrouw!

 

Kun je voorbeeld geven?

“Betty denkt vaak terug aan haar vader en moeder die gestorven zijn in een Japans interneringskamp in China. Ze beschrijft dan het kampleven. Je gaat ervanuit dat Betty daar ook geweest is. Maar tegelijkertijd haalt zij herinneringen op aan haar vriendin Lizzie, met wie zij op een Engelse kostschool zat voor de Tweede Wereld Oorlog en met wie zij werkte in Bletchley Park tijdens de oorlog.

In Bletchley Park werkten de decodeerders van de Britse Geheime Dienst. Op het hoogtepunt van de activiteiten werkten er 7000 mensen, waaronder veel jonge vrouwen. Zij werkten daar onder de diepste geheimhouding. Pas in de jaren zeventig van de vorige eeuw werd bekend gemaakt wat er gebeurd was in Bletchley Park en mochten de mensen erover praten.

 

Betty: ‘Where’s Lizzie? Secret life. Always had. All these secrets. She thought of the codes at Bletchley Park in the mild English countryside. We took it so lightly. Secrets.’

 

Toen viel bij mij het kwartje pas, toen ik erover na had gedacht. Ik dacht, als Betty dus voor en in de oorlog in Engeland was, dan kan zij niet samen met haar ouders in het interneringskamp zijn geweest, zoals gesuggereerd door mensen in het boek die over haar praten. Maar omdat niemand iets mocht zeggen over Bletchley Park, zweeg zij er ook over en liet mensen geloven dat zij ook in het kamp was geweest. Zelfs als de arts na haar miskraam, haar vertelt dat zij geopereerd moet worden en dat zij naderhand geen kinderen meer kan krijgen en de verklaring zoekt in haar kampverleden, spreekt zij hem niet tegen.”

 

Jane Gardam vraagt dus wel veel van de lezer?

“Ja, je kunt eigenlijk niets, zoals de Engelsen zeggen, ‘at face value’ nemen, klakkeloos geloven. Zij is zo knap in het schrijven, dat als je een hint mist, je soms in verwarring raakt en je afvraagt wat nu het verband is tussen alles? En ook wanneer je weinig weet van de Britse geschiedenis, zoals over Bletchley Park, dan mis je veel. En omdat alles eigenlijk even belangrijk is, maakt dat het ook wel moeilijk. Gardam neemt je zo mee in het verhaal, in een gebeurtenis of herinnering, dat je wel af en toe denkt ’nu moet ik even oppassen, hierdoor ga ik dingen missen.’”

 

Veel recensenten roemen Gardam om haar schrijfstijl. Hoe kijk jij daar tegenaan?

“Bij het lezen van het eerste boek, ‘Old Filth’, was ik overdonderd door haar schrijfstijl. Zij beheerst alle technieken: flashbacks, dialogen, monologen, brieventaal, toneel. Alles gebruikt ze en op de juiste plaats, op het juiste moment.

Je denkt dan dat alles altijd maar beter wordt. Je stelt dan misschien hogere eisen in een tweede boek. Eigenlijk blijft haar stijl hetzelfde. Het gekke is, dat als je het de tweede keer leest, je er anders tegenaan kijkt. Zo ben ik ook geraakt door de manier waarop zij met het vertellersperspectief speelt. Soms schrijft zij als ‘alwetende verteller’ Betty’s verhaal, in de derde persoon (‘She’) en dan gaat zij plotseling over naar het beschrijven van gevoelens en gebruikt ze ‘I’. Dat doet ze op het moment dat ze echt tot de kern van de emotie komt bij de hoofdpersoon. Bijvoorbeeld; ‘I want Edward. He has no idea where I am, nor have I.’ Dat zijn kleine zinnetjes. Er is niets omfloerst aan. Dit is zo kernachtig, daar passen gewoon geen bijzinnen bij alsof je dingen aan het overwegen bent, maar het is gewoon pats, boem, een emotie die in volle vaart boven komt.

 

Het is gewoon pats, boem, een emotie die in volle vaart boven komt.

 

Eén van de mooiste voorbeelden van Gardam’s beschrijvingen vind ik het begin van het laatste hoofdstuk. Betty is dood en Edwards Feathers vertrekt voor de laatste keer naar Azië, en stapt uit het vliegtuig in Singapore: ‘When he stepped off the still-vibrating plane and smelled the East again, the hot airport, the hot jungle, the heavy scents of spices and humans and tropical trees and tropical food, Filth forgot everything else and knew that memory was now unnecessary and all desire fulfilled. Betty at his shoulder, he fell into the everlasting arms. The mystery and darkness and warmth of the womb returned him to the beginning of everything and to the end of all need.’”

 

Gardam schreef haar eerste boek al in de jaren zeventig. Old Filth in 2004. Waarom hoorden we niet eerder over haar?

“Dat is een vraag die heel veel gesteld wordt. Onlangs stond in NRC next een interessant stuk hierover. Judith Eiselin bespreekt daarin vier oudere Britse schrijfsters die nu furore maken, waaronder Jane Gardam. Misschien komt de weinige belangstelling in het verleden wel, zegt zij, omdat deze vrouwen schrijven over alledaagse dingen: over opgroeien, getrouwd zijn. Het zijn volgens Eiselin, de verhalen van de thuisblijvers. Over de mensen die niet meevochten tijdens oorlogen. Schrijfster Hilary Mantel zegt hierover: ‘Verbrande lichamen maken meer indruk dan verbrande cake.’

 

Hilary Mantel: Verbrande lichamen maken meer indruk dan verbrande cake.

 

Maar ze weten wel waarover ze het hebben, ze beschrijven (deels) hun eigen leven, hun eigen ervaringen. Gardam is bijvoorbeeld getrouwd met een advocaat en kent de Engelse juristenwereld van binnenuit. Zij heeft ook veel gereisd. En ze zijn meesters in het schrijven. Moderne schrijvers kiezen vaak voor één hoofdpersoon met een duidelijk probleem en alles is expliciet; er zijn weinig verrassingen. Gardam laat bewust zaken weg en laat het aan de lezers over hun eigen weg te vinden. Dat maakt haar boeken zo verrassend.”

 

 

Elisabeth (Betty) McIntosh wordt geboren in de Britse enclave Tientsin (China). Haar ouders worden tijdens de Tweede Wereld Oorlog geïnterneerd in een Japans kamp in Shanghai, waar zij overlijden. Betty gaat naar een Engelse kostschool en later naar Oxford. In de oorlog werkt zij als ‘decoder’ op Bletchley Park, een van de grootste ondernemingen van de Britse geheime dienst.

Na de oorlog gaat zij terug naar Azië waar zij in Hong Kong Edward Feathers ontmoet, een succesvol jurist. Hij vraagt haar ten huwelijk (via een brief) en zij stemt toe. Op de avond voor haar huwelijk ontmoet zij de rivaal van Feathers, jurist Edward ‘Terry’ Veneering. Zij weet meteen dat Veneering de liefde van haar leven is. Ze ontmoet hem volgens eigen zeggen: ‘Just one hour too late’. Ze brengt de nacht met hem door. Toch zet ze haar huwelijk met Feathers door.

Edward Feathers is een zgn. Raj orphan, een kind van Britse ouders die al op heel jonge leeftijd alleen teruggestuurd wordt naar Engeland voor zijn schoolopleiding. Hij groeit op in grote eenzaamheid en heeft het gevoel dat iedereen die hem lief is, hem in de steek laat. Daarom heeft hij maar één vraag, of beter eis aan Betty: dat zij hem nooit verlaat. Betty belooft dat en dat is het begin van een 50 jaar durend huwelijk.

Betty is voor haar huwelijk een levenslustige, ondernemende vrouw. Dat blijkt wel uit haar werk op Bletchley Park. Toch vraagt ze zich af hoe haar leven zal verlopen en spiegelt zich daarbij aan haar jong gestorven moeder: ‘She is going to be my icon. I’ll grow old like her opening bazaars. I’ll live in the past and try to improve it.’ En dat is ook wat gebeurt, niet in de laatste plaats omdat Betty en Edward, tot groot verdriet van Betty, kinderloos blijven.

Zij settelen zich in Hong Kong en later in Dorset, Engeland en leven zo op het oog een traditioneel leven met werk, clubs, liefdadigheid, diners en tuinieren. Ze zien langzamerhand de hun zo bekende koloniale wereld veranderen in een wereld waar ze zich steeds minder thuis voelen. In hun 50 jaar durende huwelijk zijn zij beiden eenzaam. Niet gewend hun gevoelens te uiten, dragen zij hun geheimen met zich mee tot aan hun dood.