Een eerdere biograaf gaf de opdracht terug na een jaar onderzoek; Wim Willems gaat verder waar zij gebleven is. Onvermoeibaar zoekt hij de vrouw achter de schilder, de verzetsheld ‘tante Zus’, de vriendin en geliefde: Ru Paré. Het resultaat is de prachtig vormgegeven biografie: ‘Verzetsheldin met schilderkist. Het leven van Ru Paré’. In zijn nawoord beschrijft Willems zijn gevoel tijdens zijn zoektocht: “Ik had vaak het gevoel achter een schim aan te jagen, want zij was een vrouw die weinig gaf om eer, roem of speciale aandacht voor haar daden.” Dat gevoel, dat Ru Paré de afstand bewaart, bekruipt mij ook bij het lezen van dit boek. Willems vertelt veel over Paré, maar het zijn - noodgedwongen – verhalen óver haar en veel minder ván haar. De soms gedragen schrijfstijl, helpt niet om dichter bij Paré te komen. Daar staat tegenover dat de vele illustraties in het boek dat wel doen. Kijk maar eens naar de omslag met het prachtige zelfportret van Paré.

 

Zelfportret Ru Paré

Opbouw

Willems bouwt de biografie op langs vier lijnen die elkaar min of meer in de tijd volgen. Van vroege jeugd, via de oorlog naar de zestiger jaren tot de jaren kort voor haar dood in 1972. In die lijnen verweeft hij drie thema’s: het kunstenaarschap van Paré, het verzetswerk en haar vriendschap en liefde, voor vrouwen en mannen.

 

De kunst

In het eerste deel maken we kennis met Paré (1896-1972). Zij werd geboren in Druten in een welgestelde Gelderse familie. Haar vader is steenfabrikant. Al vroeg wordt duidelijk dat zij kunstzinnig is. Ook zien we dan al de karaktertrekken die zo kenmerkend voor haar blijken te zijn: zelfstandigheid, doortastendheid en betrokkenheid. Zo gaat zij op 15-jarige leeftijd naar de MMS in Arnhem. Dat zij daarvoor op kamers moet, houdt haar en haar familie niet tegen.

Op haar achttiende neemt zij schilderlessen bij Jan van Vucht Tijssen in Nijmegen, om vervolgens naar Den Haag te verhuizen om daar de opleiding aan de Academie van Beeldende Kunsten te volgen. Zij ontmoet kunstenaars als Albert Roelofs, Willem van Konijnenburg en Jan Toorop. In 1920 verhuizen haar ouders ook naar Den Haag en trekt Paré bij hen in, in de Van Beuningenstraat. Het huis waarin zij na de oorlog ook weer gaat wonen.

Ook in Den Haag gaat Paré haar eigen weg. Zij sluit zich weliswaar aan bij de Haagsche Kunstkring en experimenteert met vele stijlen, maar ‘bekeert’ zich niet tot één school. Haar werk kenmerkt zich door de eenvoudige lijnen, de verstilling. Het is, zeggen kunstcritici, ook ‘voor het gewone oog’ te begrijpen. Haar inspiratie komt uit het licht, bloemen en planten en uit de vele bezoeken aan de Noord-Franse kust. Ze exposeert regelmatig en verkoopt ook werk. Al hoeft zij door de steun van haar ouders, niet van de kunst te leven.

 

Schilderij Ru Paré

 

Het verzet

In het tweede deel schetst Willems hoe het Paré vergaat in de aanloop naar en tijdens de Tweede Wereld Oorlog. Zijn belangrijkste bronnen zijn de zakagenda’s van Paré die hij bij toeval in handen krijgt en de verhalen van de joodse kinderen die zij redde. Paré zelf heeft bijna nooit gesproken of iets vastgelegd over haar werk in de oorlog. Zij vindt het vanzelfsprekend om je om anderen te bekommeren en lijkt te leven naar een vertaald citaat van Jean Cocteau dat in haar nalatenschap wordt gevonden:

‘De enige ware adel bereikt men in onze tijd door zich

Volledig in zichzelf op te sluiten, zich niet te laten zien en in de schaduw te blijven.’

In 1942 worden kunstenaars verplicht zich in te schrijven bij de Duitse Kultuurkamer. Paré weigert en hangt haar schilderkist aan de wilgen. Ook haar vriendin en voormalig geliefde, de zangeres Theodora, Do, Versteegh, weigert en stopt met optreden.

Paré rolt min of meer bij toeval in het verzetswerk. In de jaren dertig heeft zij een (liefdes)relatie met de joodse drukker Henri Lankhout. Zij kennen elkaar van de Haagsche Kunstkring. Lankhout is getrouwd, maar woont gescheiden van zijn vrouw en zijn kinderen. Na zijn dood in 1938, verwatert het contact met de familie. Tot de schoondochter van Lankhout, Paré in 1942 vraagt haar dochter Hanneke te brengen naar een zakenrelatie in Ter Apel. Na Hanneke volgen nog 52 joodse kinderen die Paré via een steeds groter netwerk onderbrengt op veilige adressen. Steeds vergezelt zij zelf de kinderen. Soms per trein, soms op de fiets. In haar schilderkist zit een dubbele bodem waaronder zij papieren en soms cadeautjes verbergt. De kinderen kennen haar als ‘Tante Zus’. Alle kinderen hebben de oorlog overleefd.

 

Na de oorlog

De laatste delen van de biografie wijdt Willems aan de periode na de oorlog tot de dood van Paré in 1972. Centraal in deze delen staat het contact van Paré met de kinderen die zij hielp onderduiken en hun families. De meeste kinderen kunnen zich niet veel herinneren van Paré in oorlogstijd. Herinneringen aan hun pleegfamilie hebben zij meer en ook de tijd vlak na de oorlog staat hun nog goed voor de geest. Zo leren we veel over de -vaak pijnlijke en emotionele- strijd waarin (pleeg)ouders en kinderen ongewild terecht komen. Niet alle kinderen weten bijvoorbeeld dat zij pleegkind zijn en begrijpen niet waarom zij opeens bij een ander gezin of ouder moeten gaan wonen: hun eigen vader of moeder. Andere kinderen mogen van hun ouders geen contact meer hebben met hun pleegfamilie. Paré probeert waar zij kan, te bemiddelen; niet altijd met succes.

In de jaren zestig bezoekt Paré verschillende keren families in Israël. Bij veel huwelijken van ‘haar’ kinderen is zij de eregast. Over deze periode kan Willems relatief veel vertellen: de kinderen zijn een belangrijke bron van informatie, er zijn foto’s van de huwelijken en ook Paré schrijft regelmatig aan haar vriendin Versteegh in Nederland. Op voorspraak van de kinderen Levin krijgt Paré in1968 in Jeruzalem de Yad Vashem-onderscheiding ‘rechtvaardige onder de volkeren’.

In Israël vindt Paré ook haar inspiratie terug en gaat weer schetsen. Zij is geïnspireerd door het licht in de woestijn, het landschap, de rotsformaties. Ze schrijft erover aan Versteegh, koopt talloze ansichtkaarten en maakt dia’s die ze thuis gebruikt om haar schilderijen te maken. De schilderijen geeft zij weg of ze hangt ze op in haar huis in de Van Beuningenstraat in Den Haag, waar zij na de oorlog weer woont met Versteegh. Daar blijft zij wonen tot haar dood in 1972.

 

Tot slot

Willems schreef de biografie vooral op basis van informatie van anderen. Afgaand op de vele bronnen die gebruikte, heeft hij kosten noch moeite gespaard. Desondanks voelt ook Willems dat Paré de afstand bewaart. Om toch recht te doen aan deze getalenteerde, betrokken en moedige vrouw, probeert Willems zich in te leven in de gedachten en gevoelens van Ru Paré. Dat leidt tot gedetailleerde beschrijvingen geïllustreerd met foto’s en afbeeldingen van haar schilderijen.

In de beschrijvingen gebruikt Willems vaak beeldende taal; soms neigend naar gedragen, ouderwets taalgebruik. Zo heeft hij het, bij een beschrijving van de lucht boven de woestijn, over ‘roofvogels die rondvliegen in het zwerk.’  Of in de scéne waarin een vriendin Paré tevergeefs belt: ‘Vlak na het ontwaken nam zij de hoorn opnieuw ter hand.’  Dit, toch wat afstandelijk taalgebruik, houdt ook Ru Paré op afstand en dat is jammer.

 

 

Verantwoording afbeeldingen

Afbeelding omslag Zelfportret H.M. Paré, Den Haag 1928. (Privébezit)

Afbeelding in header en tekst:: Afbeelding binnenkant voorflap Ru Paré Stichting (Jan-Ewout van der Putten, Diepenveen).