Matthias van Rossum, onderzoeker bij het International Institute of Social History werpt nieuw licht op het Nederlands-Aziatische slavernijverleden. Recent onderzoek biedt inzicht in de relatie tussen Indiase kindslaven, (private) slavenhandel van VOC-dienaren en slavernijproductie in en rond VOC gebieden.

Bij slavernij denken we vooral aan de West Indische Compagnie (WIC) en het trans-Atlantische gebeuren. De Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) werd tot voor kort veel minder in verband gebracht met slavernij. Kijkend naar de cijfers is dit vreemd en zeer onterecht. Rond 1750 waren in Nederlands Oost-Indische vestigingen ongeveer 75.000 slaven tegen over 64.000 slaven in West Indië, het trans-Atlantisch gebied.

 

 

Azië

Atlantisch gebied

 

Slaven

Aanvoer

Slaven

Aanvoer

Streekjaar

1625

1650

1675

1700

1725

1750

1775

1800

Totaal

 

{8.000}

{31.000}

54.500

68.000

72.000

75.500

79.500

{68.000}

Min

500

1.950

3.350

4.200

4.450

4.650

4.900

4.200

660.000

Max

850

3.350

5.800

7.300

7.700

8.050

8.450

7.250

1.135.000

 

{7.000}

{12.500}

{16.500}

23.500

36.500

64.000

100.000

118.000

Min

50

800

1.050

1.500

2.350

4.100

6.400

7.400

495.000

Max

100

1.350

1.800

2.600

4.050

7.100

11.050

12.500

850.000

 

 

 

 

 

 

 

Tabel 1: slavenbevolking in en benodigde aanvoer van slaven naar Nederlandse overzeese gebieden

 

 

In Nederland heerste lange tijd een zeer geromantiseerd beeld over de VOC. In Azië zouden slaven vooral aan het werk gezet zijn in het huishouden en niet industrieel. Van Rossum stelt dat dit onjuist is, slaven werden wel degelijk industrieel ingezet. De VOC was een van de grootste handelscompagnieën ter wereld met 60.000 mensen in loondienst. Slaven waren niet in loondienst en werden niet meegerekend. Ze werkten wel op de plantages waar specerijen, koffie en suiker verbouwd werd. Op de Banda eilanden werd nootmuskaat verbouwd en op Java werden koffie en suiker verbouwd. De slaven deden het merendeel van het werk op deze plantages.

Een groot deel van de slaven kwam uit India. 70% van deze slaven waren jongens van 14-15 jaar uit de lagere kastes. Op 14-15 jaar waren de jongens nog niet op de toppen van hun kunnen en konden ze goedkoop worden aangeschaft. Economisch gezien, was dit de meest lucratieve doelgroep.
Bij de West Indische Compagnie waren het ook grotendeels kinderen van 14-15 jaar. De toename van handel gold daar ook.

Tegenwoordig is er meer en meer aandacht voor slavernij in Azië. De global slavery index laat zien dat er op dit moment ruim 43 miljoen mensen in Zuid Oost Azië onder een vorm van slavernij, vaak vrijheidsberoving of uitbuiting, leven.

Volgens Van Rossum is de slavenhandel van uit de WIC altijd meer belicht geweest doordat ons beeld van de slavernij sterk is beïnvloed door verhalen uit de Verenigde Staten. De VOC heeft op grote schaal geprofiteerd van de slavenhandel. De handel door de VOC was groter dan die van de WIC. Van Rossum zet door zijn onderzoek deze discrepantie in berichtgeving en beleving recht.