We moeten rennen, springen, vliegen, duiken, vallen, opstaan en weer doorgaan. Herman van Veen zong het zo treffend. En de ratrace is alleen maar erger geworden. Vooral vrouwen gunnen zichzelf maar weinig rust. Perfectionistisch als we zijn, willen we niet alleen een goede moeder zijn, maar ook nog eens een geweldige echtgenote, minnares, werkneemster en/of baas. Tijd om ons te vervelen hebben we niet. En eigenlijk zou dat wel eens goed zijn.

Ook de oude Grieken kenden de verveling. Dat werd destijds wel anders genoemd maar het woord ‘Acedia’ (letterlijke betekenis: apathie, onverschilligheid) betekende toen ‘de verzaking van de liefde voor de God en de schepping’. Daarom is verveling ook één van de zeven hoofdzonden geworden voor Christenen.

We leven in een welvaartsmaatschappij. We hebben veel maar het is nooit genoeg. Ons leven regelen we aan de hand van de klok. Alles wordt gepland, zelfs onze vrije tijd. En omdat we geld hebben te besteden, willen we ook waar voor onze duiten. De vakanties kunnen niet ver genoeg zijn, de sporten liefst extreem. Uit een zekere rusteloosheid zoeken we steeds meer de grenzen op. Alles om ons maar niet te hoeven vervelen.

Verveling was vroeger voorbehouden aan de rijken. Filosoof Schopenhauer zei het al: ‘Zoals ellende de gesel van het volk is, zo is verveling de gesel der rijken.’ Als gefortuneerde dame was de lijst van dingen die je niet mocht oneindig veel langer dan de twee á drie zaken waarmee je je onledig mocht houden. De opvoeding van de kinderen werd aan anderen overgelaten zodat je alle tijd voor jezelf had. In de zeventiende eeuw werd l'ennui, de verveling, in de postuum verschenen Pensées van Blaise Pascal nog gerelateerd aan het leven van de aristocratische nietsnut, aan wie het privilege van deze ervaring was voorbehouden.

Nog steeds is verveling een ‘luxeprobleem’. Volgens de Rotterdamse filosoof Awee Prins, die een tijd geleden op dit onderwerp promoveerde, treft ook nu verveling vaak alleen mensen met wie het goed gaat. Rousseau noemde verveling al een elitaire ziekte. Maar waarom doen we zo vreselijk ons best onszelf niet te vervelen? Waarom zijn we voortdurend op zoek naar nieuwe prikkels en sensaties?

Wie herinnert zich niet de eindeloze zondagen of druilerige woensdagmiddagen als kind, waarop je je liggend op je bed kapot lag te vervelen. Muziek op de achtergrond en al je gedachten de vrije loop laten. Geloof het of niet, maar deze verveling heeft wel degelijk een functie. Gun jezelf de ruimte om jezelf eens te vervelen. Je wordt creatief in het bedenken van oplossingen. Bovendien, verveling is maar tijdelijk en biedt een moment van rust.

Natuurlijk ontkom je niet aan momenten van verveling. Als je trein onverwacht vertraging heeft, in de rij voor de kassa, wachtend bij de bakker. Maar dat is verveling met een externe oorzaak en des te vervelender omdat het je overkomt.

Verveling kun je echter ook opzoeken. De boog kan niet altijd gespannen zijn. Dus waarom je niet eens overgeven aan een allesomvattend gevoel van verveling. Misschien krijg je een eureka moment, juist omdat je je brein maar ook je lichaam rust gunt en in totale apathie het leven aan je voorbij laat gaan. Verveling en rust zijn immers aan elkaar verwant, zij het niet identiek. Rust is iets wat je welkom heet en niet zondermeer afweert, zoals bij verveling. Misschien heeft verveling een net iets te negatief imago en kunnen we beter spreken van even lekker nietsdoen. Een ‘bezigheid’ waar we ons meer aan zouden moeten overgeven…