Is het Nederlandse basisonderwijs aan zeer makkelijk lerende kinderen aangepast aan de huidige stand van de wetenschap? Voor het eerst is dit voor Nederland uitgezocht door promovenda Willy de Heer. Zij concludeert in haar proefschrift dat dit niet het geval is. De egalitaire opvatting, die maatschappelijk dominant is, werkt dit tegen. Nederland voldoet dan ook onvoldoende aan het Verdrag voor de Rechten van het Kind, en aan Recommendation 1248 van de Raad van Europa. 
Dit boek bevat alle noodzakelijke kennis voor iedereen die professioneel en beleidsmatig met deze groep kinderen werkt.  Voor ouders en geïnteresseerden wordt aan een compactere publieksuitgave gewerkt.


Waarom deze boekbespreking?

Het lijkt een vreemde keuze om een universitair proefschrift te bespreken, maar het onderwerp is dermate belangrijk voor veel ouders, leerkrachten, opleiders en beleidsmakers, dat dit boek extra aandacht verdient. 
De promotie was een wetenschappelijke beoordeling, van het onderzoek naar zeer makkelijk lerenden. Deze bespreking richt zich specifiek op de maatschappelijke relevantie van het onderzoek. Biedt dit boek voor allen werkzaam met de beschreven kinderen, voldoende achtergronden, theorie en handvatten voor verbetering van de huidige situatie?

Begrippenkader

De Heer kiest voor de definitie ‘zeer makkelijk lerenden’ (zmal) waarmee zij bedoelt leerlingen met een IQ van 130 of hoger. In deze definitie is enige invloed van persoonlijkheid en omgeving meegenomen. Historisch zijn er diverse definities gebruikt voor kinderen met een hoge intelligentie gebaseerd op verschillende theorieën, maar de gebruikte definitie geeft het best weer over welke basisschoolkinderen het in deze studie gaat.

Dit  boek bevat een goed  theoretisch overzicht over zmal-kinderen en hun ontwikkeling en het onderwijs aan deze kinderen. Dit overzicht leidt onder meer tot het ontkrachten van een aantal mythes over zmal-kinderen die nog steeds de ronde doen in de Nederlandse maatschappij.


Onderzoeksvraag

De onderzoeksvraag in dit proefschrift is: ‘welke factoren zijn bepalend voor de mate waarin wetenschappelijke kennis over het onderwijs aan zeer makkelijk lerende kinderen in het Nederlandse basisonderwijs wordt toegepast?”

Om tot een antwoord te komen, heeft de Heer verschillende onderzoeksmethoden ingezet. Een literatuurstudie moest inzicht geven in de vraag in hoeverre bestaande wetenschappelijk kennis al werd toegepast. In een case study werd het gedrag van actoren op de PABO onderzocht en ten slotte werd door middel van een genealogische analyse de dominante overtuigingen in de Nederlandse samenleving in kaart gebracht.


Vroeg rijp, vroeg rot?

Het onderzoek laat een aantal misvattingen over zeer makkelijk lerende kinderen zien. Zo  bestaat er al lang het angstbeeld dat vroegrijpe kinderen ‘opbranden of gek worden’. L.M. Terman (Stanford University) startte in 1921 een 75 jaar durend longitudinaal onderzoek[1] onder zeer makkelijk lerenden. In 1947 presenteerde hij de eerste resultaten, waarmee hij aantoonde dat het gezegde ‘vroegrijp, vroeg rot’ niet klopt. Zmal-leerlingen die aangepast onderwijs krijgen en begeleiding bij hun afwijkende leerproces blijken zich normaal te ontwikkelen.

Genoemde denkbeelden zijn door onderzoek inmiddels weliswaar duidelijk weersproken, maar in een land, waar ‘doe maar gewoon’ de basisregel is, vindt men extra aandacht voor moeilijk lerenden noodzakelijk, maar aangepast onderwijs voor zmal-kinderen níet. Het zou de bevoorrechten nog verder bevoordelen. Blijkbaar is er ook sprake van een soort angst voor het ontstaan van een intellectuele elite.

 

Ongelijke kansen voor basisschoolleerlingen bij het ontwikkelen van hun talenten

 

In de V.S. en in Europese landen zoals Duitsland wordt voor zmal-kinderen wel met apart begaafden-onderwijs geëxperimenteerd, maar in Nederland krijgt dat nog weinig voet aan de grond. Godsdienstige opvattingen stonden lang afwijzend tegenover intellect en wetenschap, of vonden het ronduit gevaarlijk, zeker als dit onderwijs losstond van godsdienstige opvattingen. Dit was met name bij katholieken het geval, maar ook bij andere religies stond het religieuze centraal en was er huiver voor de macht van het intellect.


Maakbaarheid van de gelijkheid

Het hoofdstuk over ‘de maakbaarheid van gelijkheid’ is een diepgaande genealogische studie[2] (studie van de ontstaanswijze) van zowel de ontwikkelingen in de wetenschap als historische gebeurtenissen in samenhang met de dominante overtuigingen in de Nederlandse maatschappij over onderwijs aan zmal-kinderen.

De culturele omslag in Nederland rond 1970 en de latere instroom van gastarbeiders en vluchtelingen heeft Nederland sterk veranderd: men is meer individualistisch geworden en hiërarchie lijkt een verdacht begrip.

Ten tijde van President Kennedy en de lancering van de Russische Sputnik, werd intelligentie gezien als een economisch product en er ontstond in de westerse wereld grote vraag naar brains en excellentie, om mee te kunnen komen in de technologische ontwikkelingen die voor een bloeiende economie nodig waren. Maar er was ook een tegenbeweging die bang was dat gelijke rechten voor iedereen in het gedrang zouden komen. In Nederland was die laatste stroming sterk en nog steeds is Nederland een sterk egalitair land en vinden velen (media, ouders, e.a.) hulp aan zwakke leerlingen vanzelfsprekend. Inmiddels wordt in Nederland sportief talent wel hoog gewaardeerd, en vindt men excellentie op dit gebied en het ontwikkelen van dit talent vanzelfsprekend. Betreft het echter intelligentie, dan bestaat er maatschappelijk nog steeds weerstand tegen aangepast onderwijs. Een wonderlijke situatie, vind ik.

 

Recht op volledige talentontwikkeling op basisscholen

Uit door Nederland getekende verdragen blijkt dat Nederland streeft naar een zo volledig mogelijke ontwikkeling van talenten van kinderen op de basisscholen.

Uit het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (1989, ook door Nederland ondertekend) en Recommendation 1248 van de Raad van Europa, vloeit voort, dat alle kinderen, dus ook zmal-leerlingen, recht hebben om in de onderwijssituatie hun talenten, ook de intellectuele, volledig te ontwikkelen. Leerkrachten moeten worden opgeleid om de zmal-kinderen te herkennen en hen te helpen bij het ontwikkelen van hun talent. In Nederland lijkt deze EU aanbeveling nog niet goed doorgedrongen te zijn. Zowel wat didactische aanpassingen betreft, als wat de financiering van dit aangepaste onderwijs betreft is het in Nederland nog niet goed geregeld, zo blijkt. 

Oplossingsrichtingen

De Heer schetst niet alleen de knelpunten in het huidige basisonderwijs, zij laat ook zien in welke richting de oplossingen gevonden kunnen worden. Zij breekt een lans voor aangepast onderwijs voor zeer makkelijk lerende kinderen.

In Nederland zitten naar schatting meer dan 36 duizend zmal-leerlingen op de basisschool. Desondanks richt het onderwijs zich voornamelijk op de ‘gemiddelde’ leerling.

 

 Kop mag niet boven het maaiveld uitsteken

 

In het basisonderwijs heeft men de mogelijkheid om achterstand in het leerproces van leerlingen te meten. Deze methode is ook bruikbaar om voorlopen in het leerproces te meten en zo zmal-kinderen op te sporen.

Het onderwijs aan zmal-kinderen op de basisschool moet worden aangepast aan het cognitieve niveau van deze kinderen. Ouders en basisschoolleerkrachten moeten hen ondersteunen bij het ontwikkelen van hun intelligentie. Problemen voor zmal-kinderen ontstaan in de regel alleen wanneer de verwachtingen van de leerling niet parallel lopen met die van de leerkracht en adequate begeleiding uit blijft. De behoefte aan coaching is duidelijk aanwezig en indien deze hulp gegeven wordt, ontstaan er later geen problemen bij zmal-kinderen, zo blijkt uit onderzoek.

Aangepast onderwijs kan alleen gegeven worden door leerkrachten die hiervoor opgeleid zijn. Deze studie laat zien dat zowel opleiding als kennis op het niveau van de stand der wetenschap met betrekking tot zmal-kinderen onvoldoende is. Daar is dus nog veel te winnen. Daarom is dit boek zo belangrijk voor deze professionals.

Samenvatting

Wettelijk heeft ieder kind recht op volledige ontwikkeling van talenten in het onderwijs, maar vanuit verouderde en onjuiste opvattingen, wordt aan veel kinderen het recht hun intelligentie te ontwikkelen ontzegd.

Dit boek biedt voldoende achtergronden, theorie en handvatten voor verbetering van de huidige situatie.

Het onderzoek laat zien dat adequate wetenschappelijke kennis over onderwijs aan zmal-kinderen onvoldoende aanwezig is in het basis- en pabo-onderwijs. De belangrijkste factor hiervoor is de dominante politiek-egalitaire maatschappelijke opvatting die botst met het recht van alle kinderen, dus ook zmal-kinderen, op aangepast onderwijs. Niet alleen het onderwijs, ook de media hebben tot nu toe een belangrijke rol gespeeld in de verspreiding van de huidige dominante maatschappelijke opvatting die passend onderwijs aan zmal-leerlingen tegenwerkt.

Kortom: werk aan de winkel!

 

Dit boek zou verplicht beschikbaar moeten zijn voor:

Alle betrokken partijen bij het onderwijs aan zmal-kinderen: onderwijzers, schoolmanagers, PABO docenten en leerlingen en iedereen die met beleid voor basisonderwijs bezig is. Scholen, gemeenteambtenaren met aandachtsterrein basisonderwijs, ministerie van onderwijs, PABO en PABO leerlingen.

Ook journalisten en mediafiguren die over basisonderwijs en zmal kinderen berichten zouden deze kennis bij de hand moeten hebben.

Voor ouders van zmal-kinderen en geïnteresseerden is dit wetenschappelijke werk niet direct een te verwachte keuze als bron van informatie. Willy de Heer schrijft daarom binnenkort een compacte publieksuitgave.

 

ISBN978-94-028-0697-7, uitgave van het E.M. Meijers Instituut voor Rechtswetenschappelijk onderzoek van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit  Leiden, als boek in de Meijers reeks.

Dit boek is ook te koop via Bol.com

 

 [1] Dit is een onderzoek van een groep zmal-kinderen die wordt samengesteld en daarna 75 jaar lang wordt gevolgd. Hierdoor wordt het mogelijk belangrijke conclusies te trekken over hoe deze personen zich ontwikkeld hebben.

[2] Dit is een methode om zich een beeld te vormen van de achtergrondfactoren en de dominante overtuigingen die in Nederland ten grondslag liggen aan onderwijs aan zmal-leerlingen in het basisonderwijs.