9 minuten lezen

 

De aftrap voor de herdenkingen van het verwerven van het vrouwenkiesrecht is gehouden op 1 februari in Den Haag, vlakbij de Tweede Kamer. Rosa Lindenburg, VVAO-lid, dook in de geschiedenis van het vrouwenkiesrecht en herontdekte de wonderlijke koehandel waar indertijd veel commotie over is geweest. Deze koehandel heeft blijvende invloed gehad op ons onderwijslandschap.

 

Vrouwenverenigingen 100 jaar oud

De belangrijkste vereniging voor de strijd om het vrouwenkiesrecht is de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht die in 1894 werd opgericht en onder verschillende namen uiteindelijk in 1949 herrees als de Nederlandse Vereniging voor Vrouwenbelangen, Vrouwenarbeid en Gelijk Staatsburgerschap. Nu wordt de vereniging kortaf Vrouwenbelangen genoemd en is nog steeds actief. De Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht was een bloeiende vereniging en had over het hele land afdelingen. De leden kwamen uit alle klassen van de maatschappij, maar vooral leraressen en vrouwen uit het middenkader (voor zover die toen bestond) waren lid. Hoewel je anders zou denken, stonden de socialisten niet achter deze beweging. Zij vonden de leden ‘bourgeois vrouwen’. Voor de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) was algemeen kiesrecht voor iedereen, dus ook voor hun achterban, belangrijker (Bosch, M., 2018).

 

foto VVAO-vrouwen op manifestatie 100 jaar Vrouwenkiesrecht

 VVAO-vrouwen op het 'Vrouwen-Plein' in Den Haag bij de viering van 100 jaar Vrouwenkiesrecht

  

Maar er zijn nog vele andere vrouwenverenigingen die uit deze begintijd stammen en nu dus rond de 100 jaar oud zijn zoals de VVAO (Vereniging voor vrouwen met Hogere opleiding) en Koninklijk NVVH-Vrouwennetwerk (voorheen de Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen). De VVAO zet zich in voor de positieverbetering van vrouwen door middel van empowerment en het stimuleren van economische zelfstandigheid. Koninklijk NVVH-Vrouwennetwerk droeg veel bij aan het bevorderen van de hygiëne, verantwoord huishouden en onderwijs voor eenvoudige meisjes. Zij stelde een consumentenkeurmerk in dat uiteindelijk is overgedragen aan de Consumentenbond.

De vrouwenbeweging was en is nog steeds verzuild, maar veel verenigingen en netwerken zijn nu wel aangesloten bij de Nederlandse Vrouwen Raad (NVR). De NVR is een sterke lobbygroep en bestond in 2018 120 jaar.

 

De verovering van algemeen kiesrecht

Iedereen die de Nederlandse nationaliteit heeft, heeft automatisch ook kiesrecht. Dat wil zeggen actief kiesrecht (stemrecht) en passief kiesrecht: het recht om gekozen te worden. Om dat recht uit te oefenen, hoef je geen moeite te doen. Je hoeft bijvoorbeeld niet geregistreerd te staan zoals in de Verenigde Staten het geval is. En die registratie gaat daar niet altijd vanzelf!

In Nederland bestond tussen 1918 en 1970 een stemplicht; in België bestaat deze nog steeds. Het gevolg van de afschaffing van de stemplicht in Nederland, is dat het opkomstpercentage bij verkiezingen vaak laag is. Dat was vóór 1917 ook het geval, maar toen ging het om bewuste uitsluiting van delen van de bevolking, waaronder vrouwen. In Nederland wordt nog al eens vergeten dat er voor het algemeen kiesrecht is gestreden en dat we dit recht pas 100 jaar hebben!

 

Historisch affiche vrouwenkiesrecht Molkenboer

 Poster uit 1918 ontworpen door Theo Molkenboer

(Bron: Beeldarchief Atria)

 

Ingewikkeld en niet democratisch

Voor de invoering van het algemeen kiesrecht, bestond er in Nederland beperkt kiesrecht. In de 19de eeuw was dit kiesrecht buitengewoon ingewikkeld en ondemocratisch. Diverse ministers struikelden over pogingen het kiesrecht te democratiseren. Bij die pogingen ging het nooit over het invoeren van vrouwenkiesrecht, maar over het toekennen van kiesrecht aan meer mannen uit verschillende lagen van de bevolking. De voortrekkers van de democratisering van het kiesrecht waren vooral vooruitstrevende liberalen en pas later de sociaal-democraten. Deze laatsten vonden het ‘bijvangst’ bij hun streven naar algemeen kiesrecht voor arbeiders.

 

Grondwetsherziening 1884 van Thorbecke

Voor 1848 was het kiessysteem in districten verdeeld en afhankelijk van het betalen van belasting en het hebben van bezit; het zogenaamde censuskiesrecht. Bij de Grondwetsherziening van 1848, door de liberaal Thorbecke voorbereid, werden directe verkiezingen ingevoerd. Voortaan werden de leden van de Tweede Kamer, de Provinciale Staten en de gemeenteraden rechtstreeks gekozen, maar nog steeds op basis van het censuskiesrecht. De Eerste Kamer werd indirect gekozen en niet meer door de Koning benoemd. Echter, alleen de rijksten uit iedere provincie konden gekozen worden.

Het stemrecht bleef beperkt tot gehuwde mannen boven 23 jaar en ongehuwde mannen boven 25 jaar. Het bedrag waarvoor iemand moest zijn aangeslagen om stemrecht te krijgen, verschilde per gemeente. Uiteindelijk kreeg 10% van de volwassen bevolking algemeen kiesrecht.

 

Verdere uitbreiding

Bij de Grondwetswijziging van 1887 werd het kiesrecht verder uitgebreid door lagere belastingeisen te stellen en het introduceren van het ‘bewijs van geschiktheid’. Dit werd het attributief kiesrecht genoemd. Voortaan telde ook mee hoe hoog je was opgeleid en of je je als net burger gedroeg door bijvoorbeeld op tijd de huur te betalen. Door deze verruiming van de criteria was rond 1900 de helft van alle mannen kiesgerechtigd en in 1913 was dat percentage gestegen tot 65%.

Inmiddels streden vooral de sociaal-democraten voor de invoering van algemeen kiesrecht voor hun eigen achterban: de arbeiders. Ze werden daarin gesteund door de vakbeweging. In 1911 en 1912 werden zogenaamde rode dinsdagen gehouden: massademonstraties op Prinsjesdag in Den Haag. Vrouwen waren toen nog niet in beeld. Met andere woorden: het vrouwenkiesrecht is het sluitstuk van de strijd om algemeen kiesrecht.

 

Voorbodes van vrouwenkiesrecht

Formeel stond in de Grondwet niet dat vrouwen géén kiesrecht hadden. Er stond alleen dat meerderjarige burgers, om in aanmerking te komen voor actief  kiesrecht, moesten voldoen aan bepaalde voorwaarden. Om in aanmerking te komen voor passief kiesrecht moest men volgens de Grondwet Nederlands burger zijn, aan burgerplichten hebben voldaan en boven de 30 jaar zijn (Grondwet 1848, artikel 76 en 79).

 

Schilderij Aletta Jacobs Groninger Museum 

Isaac Israëls, Dr. Aletta Jacobs, 1920, Groninger Museum.

 

Totdat Aletta Jacobs in 1883 zich op de Amsterdamse kieslijst wilde inschrijven. Zij vond dat ze aan alle vereisten voldeed. Ze was immers arts, dus goed opgeleid. Het College van B & W weigerde echter haar toe te laten. Blijkbaar heeft ze het hoog gespeeld, want uiteindelijk besliste de Hoge Raad dat vrouwen geen actief of passief kiesrecht hadden, omdat dat niet specifiek in de wet stond. Samen met Wilhelmina Druckeren Annette Versluys-Poelman richtte Jacobs in 1894 de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht op. Tussen 1907 en 1920 werden zij ondersteund door de Nederlandsche Bond voor Vrouwenkiesrecht, waar ook de juriste Clara Wichmann deel van uitmaakte. Wichman hield zich nadrukkelijk bezig met het verbeteren van de rechtspositie van vrouwen.

 

Moeizame strijd

De strijd voor vrouwenkiesrecht werd in veel landen gevoerd in samenhang met de strijd voor algemeen kiesrecht. De Eerste Wereldoorlog en de revolutionaire situaties in verschillende landen versnelden de invoering van het algemeen kiesrecht. Bij de Grondwetswijziging van 1917 werd het passief kiesrecht voor zowel mannen als vrouwen in Nederland ingevoerd. Alleen de SGP voerde pas in 2013 het passief kiesrecht voor vrouwen in.

Suze Groeneweg was in 1918 de eerste vrouw die voor de SDAP in de Tweede Kamer werd gekozen. Niet als vrouw maar als socialist, hoewel ze later wat meer opkwam voor typische vrouwenzaken.

Het actief kiesrecht werd in 1919 voor vrouwen ingevoerd en dat vieren we nu 100 jaar later. De eerste algemene verkiezingen waar alle volwassenen boven de 23 jaar aan mee konden doen waren die van 1922. In 1972 werd de stemgerechtigde leeftijd verlaagd naar 18 jaar. Dit was een natuurlijke ontwikkeling omdat ook de volwassenheid in de wet werd vastgelegd op 18 jaar.

 

Nog steeds actueel

Het vrouwenkiesrecht is nog steeds actueel en veel vrouwen kregen pas in de 20ste eeuw volledig kiesrecht. Het eerste land dat vrouwenkiesrecht invoerde, was Nieuw-Zeeland in 1893; in 1906 komt Finland, gevolgd door Noorwegen. De Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, waar suffragettes de strijd al vroeg aanbonden, kregen  in 1920 algemeen kiesrecht en in het Verenigd Koninkrijk werd de leeftijd van vrouwen pas in 1928 gelijkgesteld aan die van mannen, namelijk 21 jaar.

Onder Ata Turk, de oprichter van de seculiere Turkse Republiek, kregen vrouwen in 1934 volledig kiesrecht. Turkije hoort dus bij de voorhoede als het gaat om het toekennen aan vrouwen van volledig actief en passief kiesrecht. Dit in tegenstelling tot Marokko waar vrouwen pas in 1963 stemrecht kregen.

In Zwitserland, toch bekend als zeer democratisch land, kregen vrouwen nog later volledig kiesrecht: pas in 1971. (In 1959 werd een voorstel hiervoor in een referendum nog tegengehouden door de mannelijke kiezers). In 1994 kregen alle Zuid-Afrikaanse vrouwen volledig kiesrecht, dus ook zwarte vrouwen. En in Saoedi-Arabië kregen vrouwen pas in 2015 kiesrecht. Kortom de strijd voor volledig kiesrecht voor vrouwen is eigenlijk vrij recent en wereldwijd nog niet voltooid.

 

Koehandel: schoolstrijd versus algemeen kiesrecht

Wie haar grootouders nog heeft kunnen bevragen over dé koehandel van de eeuw, het uitruilen van het verkrijgen van algemeen kiesrecht tegen de gelijke bekostiging van het verzuilde onderwijs, kent het woord ‘schoolstrijd’. Deze koehandel riep verontwaardiging én triomf op. Ten grondslag aan de koehandel lag de strijd tussen het openbaar onderwijs en het bijzonder onderwijs (katholiek en protestants onderwijs) over gelijke bekostiging. Alleen het openbaar onderwijs werd begin 20ste eeuw voor 100% gesubsidieerd door de overheid. Het bijzonder onderwijs zag dit als achterstelling.

Het lukte het liberale kabinet Cort van der Linden in 1917 om het algemeen kiesrecht  (met passief kiesrecht voor vrouwen) in te voeren, maar alleen in ruil voor volledige financiële gelijkstelling van het bijzonder met het openbaar onderwijs. De confessionele partijen gingen toen akkoord met invoering van het actief kiesrecht voor alle meerderjarige mannen en het passief kiesrecht voor vrouwen. Tevens werd de mogelijkheid gecreëerd vrouwen bij gewone wet (en niet door een grondwetswijziging) alsnog het actieve kiesrecht te geven. Dat  gebeurde uiteindelijk in 1919. Andere belangrijke wijzigingen met betrekking tot het kiesrecht  waren de afschaffing van het districtenstelsel en de invoering van het principe van evenredige vertegenwoordiging. Dit gaf de confessionele partijen landelijk meer macht en leidde tot een groei van het aantal confessionele scholen (Hartmans, R., 2011).

Een kostbaar onderwijssysteem, ook vandaag de dag nog met bijvoorbeeld nieuw bijzonder onderwijs zoals het islamitisch onderwijs, in ruil voor het verkrijgen van algemeen kiesrecht, waaronder vrouwenkiesrecht. Dat had men natuurlijk 100 jaar geleden niet kunnen weten. 

 

Bronnen

 

 

Lees ook het artikel over de feestelijke aftrap van de viering van 100 jaar Vrouwenkiesrecht op 1 februari 2019.