In september 2016 was ik in Praag, voor de zevende International Conference of the European Society for the History of Science,om een paper over het Fonds Dr. Catharine van Tussenbroek te presenteren. Daar woonde ik een prachtige key note lezing bij van Elaine Leong (Max Planck Instituut, Berlijn) over hoe wetenschap tot stand komt. Aantekeningen spelen daarbij een belangrijke een rol.

 

Notebooks are science in the making…

Een onderzoek naar de geschiedenis van notitieboeken in de vroeg-moderne tijd, laat verschillende stadia zien. 'Reading, writing, making, doing, testing, correcting, ordering, classifying. Notebooks are science in the making and that can be messy', vertelde Leong.

Leong was ik op weg naar het congres al tegengekomen in de metro, ietwat gehaast, zoekend in een vreemde stad naar de lokatie waar ze om 9 uur een speech moest houden. Voor haar onderzoek naar Science in the home maakte en maakt ze gebruik van honderden notitieboeken vooral uit de Britse landhuizen waarin alledaagse technieken zijn beschreven. Huishoudelijke receptenboeken, bijvoorbeeld om zelf medicijnen te maken. 

 

De ontwikkeling van een recept

De Britse landheer, Sir Peter Temple, gaf in het midden van de zeventiende eeuw zo’n huishoudelijk receptenboek aan zijn dochter Eleanor. Dit boek heeft een gestructureerde vorm. Het bestaat niet alleen uit de recepten zelf, maar het bevat ook beschrijvingen van de experimenten die tot de uiteindelijke recepten leidden. Met leesnotities en observaties.

 

Het testen en noteren van de observaties was essentieel in hoe de kennis werd gemaakt.

Zo kende de ontwikkeling van een recept voor oogdruppels drie stadia: het begon met een betrouware bron die kennis deelde. Dan werd er getest en bijgesteld. En tenslotte volgde een uitgebreide beschrijving van de uit te voeren handelingen, stap voor stap.  Dat laatste, het recept, kwam in een echt boek, alfabetisch geordend. Het testen en noteren van de observaties was essentieel in hoe de kennis werd gemaakt.

 

De eerste ‘datumprikkers’ 

Het klinkt als een omslachtige manier van werken, met al die losse notities. Die omslachtigheid van sommige zaken uit het pré-digitale tijdperk dringt af en toe tot me door als ik in het archief van het CvT-fonds zit te werken. Het viel in de jaren zeventig bijvoorbeeld helemaal niet mee om een vergadering te beleggen met negen bestuursleden uit alle universiteitssteden die daar een druk bestaan hebben.

Mevrouw Schoufour-Wolter, de secretaris in de jaren 1970-1972, ontwierp een ‘pre-digitale datumprikker’. Met carbon-doorslagen stuurde ze de dunne papieren op: 'Ondergetekende is op de volgende data beschikbaar voor de jaarvergadering'. Zij was de enige die alle gegevens onder elkaar kon leggen en daar de beste mogelijkheid uit kon halen, zodat het bestuur kon beslissen over de vrouwen die met een beurs de wetenschap weer een stapje verder zouden brengen.

 

Gehuwde vrouwen verloren voor de wetenschap?

Hoe ziet een 'betrouwbare en geloofwaardige wetenschapper' eruit? Dat is de vraag van de internationale onderzoeksgroep SPICE (Scientific Persona in Cultural Encounters) van o.a. Prof. Dr. Mineke Bosch uit Groningen. Vooral de kwestie welke rol  gender daarin speelt en hoe fondsen in hun keuzeprocessen uitgaan van en bijdragen aan beeldvorming, kwam ter sprake op een sessie die SPICE op het congres in Praag organiseerde.

Het Fonds Dr. Catharine van Tussenbroek heeft als doel om vrouwen in de wetenschap te steunen, vooral degenen die buiten de gebaande paden van de gangbare financieringskanalen vallen. De afgelopen negentig jaar heeft het fonds meer dan duizend beurzen verstrekt. Eén aspect van het impliciete beeld dat vrouwen als Marianne van Herwerden en Johanna Westerdijk in het vooroorlogse CvT-bestuur hadden, was dat vrouwen voor de wetenschap moesten kiezen, en dat een huwelijk niet met een wetenschappelijke loopbaan te verenigen was. Met andere woorden dat een vrouw voor de wetenschap verloren was, als ze zou trouwen. Pas in 1968 kreeg de eerste gehuwde vrouw een beurs. Toch zijn tot op heden zo'n honderd gehuwde vrouwen door het CvT-fonds ondersteund. Het merendeel van de bursalen in de afgelopen negentig jaar was ongehuwd, maar dit impliciete criterium was vanaf eind jaren zeventig niet meer van toepassing.

In 1926 richtte een aantal vrouwen uit de eerste feministische golf het Fonds Dr. Catharine van Tussenbroek op. Meer dan duizend onderzoeksters zijn door een bijdrage van het fonds geholpen bij hun loopbaan, vooral in de vorm van reisbeurzen. Het boek Briljante studente, heel origineel! vertelt waar ze naartoe reisden, welke onderwerpen ze onderzochten en hoe ze dachten over vrouwen in de wetenschap. Twaalf interviews met bursalen en persoonlijke verhalen uit het archief kleuren de cijfers in. 

 

 

Het boek werd geschreven door Dineke Stam met medewerking van Mineke Bosch en Nazila Ahmadie. Het is te bestellen bij Uitgeverij Verloren en kost 10 euro.