Een luide schaterlach klinkt vanaf het scherm. Jacqueline de Savornin Lohman, emeritus hoogleraar Sociale Hulpverlening en hoogleraar Jeugdbescherming en Jeugdhulpverlening aan de UvA, vertelt over haar loopbaan als hoogleraar. Dat doet zij in de korte film Onder Professoren van Atria. Hierin komen nog vier andere vrouwen aan het woord over hun route naar het hoogleraarschap en over hun ervaringen toen zij eenmaal ‘op die stoel zaten.’

 

We zien vrouwen uit verschillende generaties en vanuit verschillende disciplines. Humor is één van de eigenschappen die zij gemeen hebben, naast rebelsheid, vernieuwingsdrang, doorzettingsvermogen en zelfreflectie.  Zij werden hoogleraar in een tijd dat dat niet vanzelfsprekend was voor vrouwen. Maar ook anno 2018 is er nog geen sprake van een gelijke verdeling tussen mannelijke en vrouwelijke hoogleraren. Slechts 19,3 % van de hoogleraren is vrouw. (Monitor vrouwelijke hoogleraren 2017, LVVH)) Hoe komt dat en vooral: wat doen we eraan?

 

Westerdijkjaar

Laura Bassi (1771-1778) was de eerste vrouw in Europa die hoogleraar werd. Aan de Universiteit van Bologna was zij hoogleraar natuurkunde. In Nederland was het Johanna Westerdijk. Zij werd in 1917 benoemd tot buitengewoon hoogleraar plantenziektekunde aan de Universiteit Utrecht.

 

Johanna Westerdijk, eerste vrouwelijke hoogleraar in Nederland

 

Het Westerdijkjaar in 2017 was voor Atria, Kennisinstituut voor Emancipatie en Vrouwengeschiedenis, aanleiding om door middel van de oral history methode de wetenschappelijk loopbaan van vijf vrouwelijke hoogleraren vast te leggen. Een samenvatting van deze uitgebreide interviews is te zien in de film Onder Professoren die op 19 april 2018 door Atria werd gepresenteerd. De presentatie werd gevolgd door een paneldiscussie onder leiding van Renée Römkens, directeur van Atria. Panelleden waren emeritus hooglerraar Maaike Meijer, Patricia Faasse (onderzoeker bij het Rathenau Instituut en biograaf van Westerdijk), Geert Ten Dam (voorzitter College van Bestuur UvA) en Hanneke Takkenberg (voorzitter Landelijk Netwerk van Vrouwelijke Hoogleraren LNVH).

 

Aan het woord in Onder Professoren

  • Anneke van Doorne-Huiskes

       1988-1991: Vrouwen in arbeidsorganisaties, Universiteit Wageningen.

       1991-2002: Sociale wetenschappen, Erasmus Universiteit Rotterdam.

       2002-2006: Sociologie, arbeid en emancipatie, Universiteit Utrecht.

  •  Maaike Meijer

      1997-1998: Opzij leerstoel, Universiteit Maastricht.

      1998-2013: Genderstudies, Universiteit Maastricht.

  •  Toine Lagro-Janssen

       1996-medio 2013: Vrouwenstudies Medische Wetenschappen, Raboud UMC

       Nijmegen.

  •  Iteke Weeda

       1986-2003: Emancipatievraagstukken, RU Groningen.

  •  Jacqueline de Savornin Lohman

       1982-1992: Sociale Hulpverlening UvA, fac. Andragologie.

       1992-1996: Jeugdbescherming en Jeugdhulpverlening UvA, fac. Pedagogie.

 

 

Steun

Vijf vrouwen, met verschillende achtergronden en verschillende loopbanen. Toch zien we ook overeenkomsten in hun verhalen. Zij komen bijvoorbeeld niet uit traditionele wetenschappelijke milieu’s. In tegendeel, vaak is hun achtergrond eenvoudig en waren zij de eersten in hun familie die naar de universiteit gingen. Daarbij werden zij gesteund door hun ouders, zowel door vaders als moeders en werd hun talent al vroeg onderkend door bijvoorbeeld onderwijzers. Toine Lagro-Janssen: “Wij kwamen niet uit een academisch milieu. Mijn moeder was onderwijzeres, mijn vader was thuis. Ik was de eerste die ging studeren. Op de middelbare school was een onderwijzeres die dacht ‘dit kind moet door’.”

Eenmaal in de academische wereld beland, ging het niet vanzelf. Promoveren was bijvoorbeeld helemaal niet gewoon voor vrouwen. Zij bleven vaak ‘steken’ in het geven van onderwijs. Anneke van Doorne-Huiskes: “Op de Universiteit Utrecht deed ik vooral onderwijs. Tot er een nieuwe hoogleraar kwam die zei 'mensen moeten wel promoveren. Als je op de universiteit wilt werken, moet je wel promoveren.' Mijn onderzoek ging over de beroepsdeelname van hoogopgeleide vrouwen. Ik benaderde het onderwerp wat afstandelijk, achteraf gezien misschien wel té afstandelijk.”

 

Vernieuwingsdrang

Opvallend in de verhalen van de vijf hoogleraren is hun wens om nieuwe vakgebieden te ontwikkelen. Dat betekent ook buiten de gebaande paden van de academische wereld durven gaan én volhouden. Maaike Meijer ondervond bijvoorbeeld veel weerstand in haar pogingen om vrouwen- en genderstudies een plek te geven aan de universiteit.  Uiteindelijk lukte het haar om aan de Universiteit van Maastricht het Centrum voor Vrouwenstudies op te zetten. Daar werd zij ook hoogleraar. Meijer: “Ik heb altijd feeling gehad voor waar een gat in de markt zat. Samen met Mineke Bosch haalde ik veel geld op voor vrouwenstudies en toen steeg onze ster binnen de faculteit; we werden zelfs het paradepaardje! “

Ook Toine Lagro-Janssen en Iteke Weeda pionierden op hun vakgebied. Lagro-Janssen introduceerde de seksespecifieke geneeskunde in Nederland en zette zich haar hele loopbaan in voor optimale huisartsenzorg voor vrouwen. “Toen ik begon in 1978 waren dokters nog de vijanden van vrouwen. Ook toen was er sprake van incest en geweld tegen vrouwen, maar in de huisartsengeneeskunde was daar geen aandacht voor. “

Weeda studeerde agrarische sociologie in Wageningen. Ze was, zo zegt zij in de film, ‘van het traditionele model’: “Ik was er erg voor de kinderen.” Haar scheiding maakte haar zelfstandiger en zelfverzekerder en zij werd feministisch sociologe. Om zich vandaar uit verder te ontwikkelen tot spiritueel feministe. Weeda: ‘Ik vroeg me af: ‘wat weet ik nu van relaties? Van de diepere lagen? Zo ben ik op het pad van het spiritueel feminisme gekomen. Ik vind dat het vrouwelijke in deze samenleving versterkt moet worden.”

 

Inclusiviteit

Terugkijkend lijken de meeste geïnterviewde hoogleraren erin geslaagd de nieuwe vakgebieden verder te ontwikkelen. Zijn ze er ook in geslaagd die vakgebieden zodanig in te bedden in de universiteit dat ze er de komende decennia nog zijn? Ook als bijvoorbeeld de leerstoel er niet meer is? Uit de paneldiscussie blijkt dit een vraag te zijn die ook de zittende hoogleraren bezighoudt. Hoe zorg je ervoor dat niet alleen de vakgebieden zich verder ontwikkelen, maar ook dat vrouwen een gelijkwaardige positie binnen de academische wereld krijgen en behouden? Hanneke Takkenberg, voorzitter van het Landelijk Netwerk van Vrouwelijke Hoogleraren (LNVVH) heeft daar een duidelijke visie op. Takkenberg is ook hoogleraar Thoraxchirurgie aan het Erasmus UMC en Chief Diversity bij de Erasmus Universiteit. Takkenberg: “Als het gaat om diversiteit, denk ik veel meer aan inclusie, aan gelijke kansen voor iedereen, ook voor vrouwen, maar ook voor mensen met een andere culturele achtergrond.

 

Ik denk veel meer aan inclusie, gelijke kansen voor iedereen.

 

Binnen mijn eigen onderzoekslijnen probeer ik dat te implementeren. Daarbij probeer ik het niet meer afhankelijk te laten zijn van personen, maar eerder van netwerken binnen mijn eigen organisatie en in organisaties waarmee ik samenwerk. We hebben het dan ook niet meer over individuele excellentie, maar over collectieve excellentie. Daar werken we aan binnen grotere netwerken.”

Ook Geert ten Dam, voorzitter van het College van Bestuur van de UvA en hoogleraar Onderwijskunde aldaar, trekt het vraagstuk breder. “Ik ben eind jaren 70 in Nijmegen begonnen als emancipatie-onderzoeker bij Vrouwenstudies en daarna doorgegroeid naar hoogleraar Onderwijskunde. Het gedachtengoed van Vrouwenstudies nam ik mee. Eigenlijk een beetje vanzelfsprekend. Ik vind het doorgeven aan een nieuwe generatie, enthousiasmeren en hen in hun kracht zetten, niet alleen een genderissue. Ik ben onderwijs blijven geven, ook nu ik voorzitter ben en in die zin investeer ik ook veel in studenten, in alle studenten: mannen en vrouwen. Verder merk ik dat het aanpakken van een aantal ogenschijnlijk gender neutrale dingen zoals gelijkschakeling van het belang van onderwijs en onderzoek ook enorm helpt. En zorgen dat je met één meetlat meet. Dat doen we bijvoorbeeld bij de tenure tracks. Die zijn 6 jaar bij ons. Dat betekent dat iedereen een jaar speling heeft, mannen en vrouwen. Het is aan heel veel wieltjes tegelijk draaien."

 

Het is aan heel veel wieltjes tegelijk draaien.

 

Mannelijke rolmodellen

Patricia Faasse, onderzoeker bij het Rathenau Instituut en biograaf van Westerdijk, ziet de vrouwen uit de film als belangrijke rolmodellen. “Het zijn allemaal rebellen in de positieve zin van het woord. En sterk in het buiten de lijnen kleuren om zo verandering teweeg te brengen. Voor mij zijn het rolmodellen.”

Takkenberg is het eens met Faasse en benadrukt tegelijkertijd ook het belang van mannelijke rolmodellen om een cultuurverandering binnen de universiteit op gang te brengen. “Wat we traditioneel veel hebben gedaan is het opstarten van career development programma’s voor vrouwen, maar ondertussen verander je dan niets aan het systeem, aan de cultuur, die vaak nog vrouwonvriendelijk is.“

Meijer valt Takkenberg bij. Meijer: “Dat mannen zelf beseffen wat zij kunnen doen. Bijvoorbeeld: je bent chef van een groep wetenschappers en iemand gaat je opvolgen. Wat kun je doen om jouw macht over te dragen aan die vrouw? Bijvoorbeeld door met waardering over haar te spreken, vrouwen niet bij de voornaam en mannen bij de achternaam noemen. Ik zie een heleboel mannen die dat niet beseffen en zo de oude situatie in stand houden.”

Als we het toch over rolmodellen hebben, dan is Westerdijk er ook zo een. In de periode tussen 1917 en 1956 begeleidde zij 56 promovendi, waarvan de helft vrouw. Volgens Faasse leert dat ons dat Westerdijk een heel bijzondere vrouw was en dat haar persoonlijke begeleiding en stimulering van vrouwen uniek is. Het leidde echter niet tot een constante stroom van vrouwelijke hoogleraren. Dat maakt het pleidooi van Takkenberg en Ten Dam om ook naar het systeem te kijken en dat van binnenuit te veranderen met behulp van vrouwen en mannen, zo relevant. Zodat uiteindelijk ook het percentage van vrouwelijke hoogleraren sneller stijgt.