Het woord is al net zo vreselijk als wat ermee bedoeld wordt: de excuustruus. Dé vraag die bij veel vrouwelijke talkshowgasten, bestuursleden, managers en teamleiders op zeker moment door het hoofd spookt. Eigenlijk bij elke vrouw die werkzaam is in een omgeving waar vrouwen niet de norm zijn. Word ik nu voor deze klus gevraagd omdat ik zo goed ben, of omdat ze nog een vrouwtje nodig hadden? Het vrouwtje van dienst zijn. De werknemer die er louter bij mag zijn vanwege haar exotische voortplantingsorganen.

Althans, dat was het stigma van de excuustruus. Ik ben hier om haar eens een heel nieuw imago te geven. Want er is nogal iets mis met de excuustruus en waar zij voor staat.

Allereerst is het natuurlijk belachelijk dat de vrouw zich zo druk moet maken over de excuustruus. Het zegt veel dat er helemaal geen mannelijke evenknie bestaat. Zelfs in werkvelden gedomineerd door vrouwen -het onderwijs, de zorg- kennen we geen Excuusguus. Die ene mannelijke docent te midden van alle juffen zal nóóit denken: sta ik nou voor groep 5 omdat ik zo’n fantastische meester ben, of ben ik alleen maar uitgekozen omdat ik een mannetje ben?

Als ik de excuusguus ben, dan hoeft het voor mij allemaal niet hoor! Ik wil alleen op mijn kwaliteiten beoordeeld worden!!! En niet op het gereedschap dat ik tussen mijn benen heb hangen!!!

Geen man in de geschiedenis van de mensheid die het zich ooit afvroeg. Echt niemand. En vrouwen vragen het zich aan de lopende band af.

Ik ben in mijn leven al talloze malen de excuustruus geweest. Ik schrijf als freelancejournalist graag over sport, en dan met name over wielrennen. De sportjournalistiek is een wereld die toch voornamelijk bevolkt wordt door witte mannen in morsige truien. Dat geeft niks, maar het is wel de realiteit.

En dus is het vaak zo dat -wanneer talkshows eens geen zin hebben in een witte man die over Froome en Dumoulin komt praten- dat ze mij bellen: jong, snel, wild en gegarandeerd zonder snor. Dat is best leuk voor de afwisseling. Het vrouwtje van dienst.

Ik had de eerste keren dat dit gebeurde door kunnen vragen of ik wel op mijn kwaliteiten was uitgekozen, maar ik heb besloten het excuustruzenschap eervol te omarmen. Het is immers een kans. En ook als Truus moet je je nog altijd bewijzen. Als je er vervolgens niks van bakt, vragen ze de volgende keer toch weer een witte man met een snor.

En: als ik toch twijfelde aan mijn truzenschap, dan dacht ik altijd aan mijn oma. Geboren in 1915, en inmiddels al heel wat jaren niet meer onder ons. Op haar veertiende werd ze van school gehaald. Ze moest gaan werken, haar ouders konden haar wekelijkse loonzakje goed gebruiken. En dus werd ze dienstmeisje. Terwijl ze zo slim, zo belezen en zo scherp was. Haar hele leven lang las ze alles wat los en vast zat, volgde ze aandachtig de politiek en tikte ze mijn vader op de vingers als hij eens een aflevering van Buitenhof oversloeg.

Maar leren had ze nooit gemogen. Wat had zij gezegd wanneer ik zou miepen over een baan, een opdracht of een mediaklus? Ze zou zeggen dat ik de kans zou moeten grijpen. Omdat ik al zoveel meer kansen heb gekregen dan zij ooit voor mogelijk had gehouden. Hou op met piepen, en ga ervoor. Dan maar de excuustruus. Mijn oma was er met liefde eentje geweest.