Op de voorkant van het boek van Alies Pegtel schitteren drie vrolijke vrouwen met prachtige hoeden, onder wie Johanna Westerdijk (1883-1961), de eerste vrouwelijke hoogleraar in Nederland. Dat ze als hoogleraar plantenkunde geen blauwkous is, bewijst haar lijfspreuk: ‘Van een saai leven gaat zelfs een schimmel dood.’ 
Anders dan Aletta Jacobs is ze een levensgenieter. Ze heeft een grote internationale reputatie en is bij de oprichting van de Vereeniging van gestudeerde Vrouwen in 1918, die in 1924 de VVAO wordt, waarbij het accent vooral ligt op gezelligheid en belangenbehartiging, meer in de voetsporen van Westerdijk dan van Aletta Jacobs die de VVAO maar ouderwets vindt, en ook door de VVAO-leden te radicaal wordt gevonden. Later is dit met een erelidmaatschap goed gemaakt.


Dertien buitengewone vrouwen

Het boek beschrijft de levens van dertien buitengewone vrouwen, min of meer allemaal lid van de VVAO. Voor mij soms onbekende vrouwen, zoals classica Marie Baale (1875-1947), celbiologe Marianne van Herwerden (1874-1934), die samen met kinderarts Cornelia de Lange, initiatiefneemster is van het studiefonds dat is vernoemd naar de door haar bewonderde arts Catharine van Tussenbroek, en econome en psychologe Henriëtte Maassen van den Brink (1953), maar ook bekendere vrouwen als sociologe Hilda Verwey-Jonker (1908-2004), arts Els Borst (1932-2014), scheikundige Marga Klompé (1912-1986) en sociaal-geografe Hedy d’Ancona (1937). In alle dertien levensbeschrijvingen is sprake van roeien met de riemen die je hebt, meestal tegen de stroom in. Natuurlijk hebben de vrouwen van huis uit wel het een en ander meegekregen maar zonder hun sterke motivatie en vasthoudendheid was het hen niet gelukt aan de universiteit terecht te komen.


De VVAO in de afgelopen 100 jaar

In de drie hoofdstukken die de dertien boeiende levensbeschrijvingen verbinden wordt de context beschreven waarin de VVAO opereert. In het eerste hoofdstuk ‘In den beginne’ is dat de Amsterdamse tentoonstelling De Vrouw 1813-1913 waar ongeveer vijftig jonge afgestudeerde vrouwen elkaar ontmoeten en van waaruit de VVAO zal ontstaan. Het onderwijs, middelpunt van de tentoonstelling, was ‘de spil waar de ontwikkeling van de vrouw in het heden en in de toekomst om draait.’

Het tweede verbindende hoofdstuk gaat over het meisjesonderwijs. De VVAO houdt zich in beginsel verre van het feminisme of de strijd voor gelijke rechten. De meeste bestuursleden zijn excellente academica’s. Maar dat er na 1910 steeds meer meisjes gaan studeren juichen zij niet toe. Een studie was volgens hen ‘geen spel op het voorplein van de huwelijkspoort.’ Er wordt studie- en beroepsvoorlichting op middelbare scholen gegeven met de bedoeling om middelmatige meisjes van de universiteit te weren.
Het beroemde essay van Joke Smit in de Gids in 1964, ‘Het onbehagen bij de vrouw’ met de openingszin: ‘Mannen hebben het heerlijk, vrouwen hebben het rot’, maakt zoveel reacties los dat Smit besluit om een nieuwe feministische organisatie te beginnen. Ze heeft even de hoop dat de VVAO zich om zou willen vormen tot een moderne actiegroep maar de bestuursleden delen haar radicale ideeën over zelfbeschikking van de vrouw niet. Om voor alle afgestudeerde vrouwen open te staan kiest de VVAO voor een neutrale opstelling.


Minder neutrale opstelling onder Tellegen

Maar de VVAO kent ook periodes waarin de apolitieke houding opzij wordt geschoven zoals onder de bezielende leiding van de juriste Marie Anne Tellegen (1893-1976). Ze stelt in 1938 het tekort aan besef van staatsburgerschap onder vrouwen aan de kaak. Ze vindt dat vrouwen onvoldoende meedoen aan de politiek en wijst erop dat ze een eigen bijdrage moeten leveren aan de maatschappij.
In 2014 wordt de stichting Dr. Marie Anne Tellegen opgericht met als doel de deelname van vrouwen aan het hoger onderwijs in binnen- en buitenland te bevorderen en de positie van de vrouw op de arbeidsmarkt te versterken. 
Een mooi voorbeeld is oud-bestuurslid van de VVAO Corrie Tendeloo (1897-1956) die, net als Tellegen, juriste is. Als PvdA-kamerlid dient Tendeloo in 1955 een motie in die ervoor zorgt dat vrouwen in overheidsdienst niet meer worden ontslagen als ze trouwen. Tendeloo draagt er ook aan bij dat de handelingsonbekwaamheid voor gehuwde vrouwen in 1956 wordt afgeschaft.

Het derde verbindende hoofdstuk gaat over het moederschapsideaal. Hier wordt de nog altijd actuele vraag gesteld: is deeltijdwerken inderdaad een vrijwillige keuze of wordt het ingegeven door diepgewortelde conservatieve rolopvattingen? Carrière en huwelijksgeluk kunnen niet samengaan. In 1961 zegt de VVAO nog: Het moet vooral geen mode worden om buitenshuis te gaan werken en de beslissing om te gaan werken moet altijd verantwoord zijn tegenover het gezin. Veel VVAO-leden voelen zich al geëmancipeerd want ze hebben gestudeerd. Het boek laat goed zien hoe behoudend de Nederlandse samenleving altijd is geweest ten aanzien van de werkende vrouw. En hoeveel barrières er genomen moeten worden. In 2016 is uiteindelijk 59% van de vrouwen economisch zelfstandig tegenover 79% van de mannen. De VVAO spant zich nu in om net zoveel vrouwen als mannen economisch zelfstandig te maken door netwerkbijeenkomsten en (reis)beurzen.


Tot slot

Niet alle namen staan correct vermeld in het boek: de eerste Nederlandse advocate heet Adolphine van den Hoek-Kok (niet Hoen-Kok), het is minister Emanuel Sassen (niet Stassen), pater Beaufort (niet de Beaufort). Een andere kanttekening is dat de opzet van het boek er waarschijnlijk voor zorgt dat sommige feiten vaak worden herhaald in het boek. Bijvoorbeeld het wetsontwerp van minister Romme waarmee hij in 1937 alle vrouwen het werk wil verbieden.

Buitengewone vrouwen, in de voetsporen van Aletta Jacobs geeft een mooi inzicht in de wereld van gestudeerde vrouwen in de afgelopen honderd jaar, en maakt heel duidelijk dat de vrouwenemancipatie in Nederland traag verloopt. We moeten ons nog steeds inspannen zodat vrouwen hun talenten optimaal kunnen gebruiken. De dertien beschreven vrouwen zijn daarvoor een geweldige inspiratiebron.