Op het lustrum ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan van de VVAO werd Anneke van Doorne-Huiskes tot lid van verdienste benoemd. Een mooie gelegenheid om haar te bevragen over haar VVAO-tijd en haar werkzaam leven.


1. Jouw schoenen staan op de tentoonstelling ‘In Their Footsteps’* samen met die van Aletta Jacobs, Hedy d ‘Ancona en andere prominente vrouwen. Hoe voelt dat?

De vrouwen die je noemt, zijn échte bigshots. Ik zou mij niet met Aletta durven vergelijken. Hedy was een vooruitstrevende politica met grote landelijke bekendheid. Wij hebben ons beiden wel met emancipatie beziggehouden. Het voelt eigenlijk heel goed. Ik vind het eervol op de tentoonstelling vertegenwoordigd te zijn. En natuurlijk heel eervol om tot lid van verdienste te zijn benoemd!


2. Je was zowel wetenschapper als ondernemer. Een gelukkige combinatie?

Het is eigenlijk ontstaan uit noodzaak, omdat ik na 10 jaar van parttime werk - vanwege opgroeiende kinderen - niet meer kon terugkeren in een volledige baan als hoofddocent aan de universiteit. Nadat ik verschillende projecten had gedaan kreeg ik in 1984 de kans om samen met Attie de Jong (ook VVAO-lid) via een overheidsopdracht aan de Leidse universiteit een model te ontwikkelen om positieve actie in gang te zetten voor vrouwen bij de overheid. Toen dat project was afgerond in 1986 besloten we tot de oprichting van een eigen bedrijf; De Jong en Van Doorne-Huiskes, bureau voor organisatieonderzoek. We begonnen op 2 januari 1987 met ons zelf en met een schrijfmachine. Dat was het begin van een booming business. We hadden de tijd mee, er was behoorlijk wat geld beschikbaar voor onderzoek naar arbeidsmarktproblematiek en ‘positieve actie’. Bovendien waren we de eersten en hadden we nog geen concurrentie. Dat laatste veranderde overigens snel.

Het was een gelukkige combinatie in die zin dat ik goed gebruik kon maken van mijn onderzoekservaring en via colleges en werkgroepen studenten ervaringen uit de dagelijkse praktijk kon voorleggen. Maar het bleef een kwestie van gedeeld commitment, dat levert natuurlijk ook wel eens nadelen op.

3. Je bent voor een groot publiek gaan schrijven. Wat is daarvan de reden?

Ik was al met emeritaat, dus ik hoefde geen wetenschappelijke artikelen meer te publiceren en kreeg meer tijd. Dus toen ik de vraag kreeg van de Nederlandse Stichting voor Psychotechniek (NSVP) - ik was lid van het bestuur van die stichting - om een boek over emancipatiekwesties te schrijven leek het mij leuk om mijn kennis te delen. In 2010 resulteerde dat in het boek ‘Vrouwelijk talent werkt’.

4. Hoe zou jij de kern van jouw zoektocht in je werkzaam leven willen omschrijven?

Nou eigenlijk, hoe het kan bestaan dat in de loop van de geschiedenis vrouwen bij voortduring in maatschappelijke zin een tweederangspositie toegewezen kregen? En dat vrouwen dat ook geaccepteerd hebben. Waarom zijn zij niet eerder en massaler in verzet gekomen? En de verschillen tussen de Nederlandse samenleving en die van andere Westerse landen vind ik ook een fascinerend aspect. Bijvoorbeeld in België en Frankrijk, en zeker ook in de Scandinavische landen, zijn vrouwen veelal in ruimere banen werkzaam dan in Nederland. Bovendien – en daarmee samenhangend – zijn daar ook betere voorzieningen om dat mogelijk te maken. Waarom is dat zo?

5. Heeft de VVAO jou daarbij geholpen?

De Commissie Emancipatiezaken (CEZ) in de jaren tachtig was een fijne commissie, ook qua persoonlijke verhoudingen. Die commissie heeft mij zeker op weg geholpen. Ook de samenwerking met Helen Hootsmans, zij was van Amerikaanse herkomst en emancipatiemedewerker van de VVAO, hielp mee om te onderzoeken wat de VVAO als vereniging kon bijdragen aan de emancipatie van vrouwen. Verder kreeg ik met een zekere regelmaat de gelegenheid lezingen te houden voor afdelingen van de VVAO.

6. In jouw boek ‘Vrouwelijk talent werkt’ (2010) staat de vraag centraal of in Nederland vrouwelijk talent voldoende wordt benut. Wat is jouw conclusie?

Ik vind dat wij in Nederland in het algemeen betrekkelijk slordig met talent omgaan. Dat geldt niet alleen voor vrouwen, maar ook voor ouderen, migranten en vluchtelingen. Nederland kent geen sterke traditie van gebruikmaken van beschikbare kennis en kunde. Er zijn jaren geweest dat we meer bezig waren met sociale uitkeringen dan met mensen aan het werk te krijgen. Nu is er ook nog vaak een cultuur van vrijheid blijheid: als vrouwen in kleine baantjes willen (blijven) werken is dat hun zaak, ook al komen we juffen op de basisschool en verzorgenden in de instellingen te kort. Ook Rutte zegt over het geringe getal van vrouwen in topfuncties: “Vrouwen maken hun eigen keuze”. Maar dat betekent wel dat we nogal wat talent verloren laten gaan. En dat betreur ik. Voor de samenleving en voor de vrouwen (en mannen) zelf.

7. In je laatste boek ‘Van privéproblemen tot overheidszorg’ (2017) stel je dat een versnelling van het emancipatieproces nodig is. Hoe moeten we dat zien?

De minister roept wel: “Er moet meer economische zelfstandigheid van vrouwen komen, maar dan moet de overheid daarvoor wel de voorwaarden scheppen! Dat gebeurt nu wel beter dan vroeger, maar we zijn er wel rijkelijk laat mee. Ook het bedrijfsleven en vrouwen zelf dragen natuurlijk verantwoordelijkheid om meer vrouwen economisch zelfstandig te laten worden. Vrouwen moeten meer mogelijkheden krijgen en nemen om andere beroepen te gaan uitoefenen zoals in de techniek, ICT en robotisering. Samenleving en arbeidsmarkt veranderen en vrouwen moeten daarop inspelen. Wat we in het boek voorstellen is een kwaliteitsbeoordeling van de mate van voortgang van het emancipatiebeleid. Nederland heeft op allerlei gebieden diensten die bijhouden hoe de voortgang of kwaliteit is van een proces of product. Waarom dan niet ook bij het emancipatiebeleid, dat van grote betekenis is voor de welvaart en het welzijn van het land.


8. Wat zou jij vrouwen van nu mee willen geven?

Zoals ik al zei, als je kijkt naar de toekomst realiseer je je dat het in de wereld in toenemende mate zal draaien om automatisering, robotisering, digitalisering. Het zou erg fijn zijn als vrouwen op dat vlak goed mee kunnen doen. En verder natuurlijk dat het leven niet alleen draait om werken, er moet ook tijd zijn voor ontspanning en plezier. En ook belangrijk: zet je man aan het werk in de opvoeding en huishouden. Sta toe dat mannen hun verantwoordelijkheid krijgen. Emmer er niet over! Hou na de komst van een kind je kop erbij en besluit niet zomaar om minder te gaan werken. Dat gebeurt vaak, zelfs als vrouwen meer verdienen dan hun partner. We moeten het automatisme uitbannen dat vrouwen na de geboorte van hun eerste of tweede kind minder gaan werken.

9. Wat leer je van de huidige generatie vrouwen?

Eén van de mooiste uitkomsten van emancipatieontwikkelingen en emancipatiebeleid vind ik het enorm gestegen getal van vrouwen met goede opleidingen. Het geeft je het gevoel dat emancipatie-inspanningen uit het verleden goed en nuttig zijn geweest.
Ik leer ook van hun optreden: schuchterheid in het optreden van vrouwen lijkt verleden tijd, het gevoel van eigenwaarde en vakmanschap (vakmensschap) is stevig toegenomen, in mijn perceptie. Handigheid in social media, vormen van ICT-toepassingen, durf in optreden in het openbaar, vertoon van energie: ik vind het inspirerend om te zien!


10. Hoe kijk je terug op je VVAO-tijd?

Ik kijk met plezier terug op mijn voorzitterschap. We vormden als bestuur een goed en enthousiast team. Het was fijn om het LifeLongLearning-thema in gang te zetten, evenals de promotiekring en het mentoraat. Ook goed was om inhoudelijke discussies (over posities van vrouwen) binnen de vereniging explicieter te entameren. VVAO Magazine (voorganger van MAAK!) hielp mee bij die inhoudelijke discussies. 

Aan het eind van mijn voorzitterschap (2008-2014) werd het ingewikkelder door bewegingen binnen de vereniging om uit de IFUW (nu GWI-International) te treden. Veel afdelingen vonden de kosten te hoog en de opbrengsten te weinig zichtbaar of te weinig concreet. Hoewel daar iets in zat, verzette ik me tegen het idee dat de VVAO deze wereldomvattende federatie van vrouwen met toegang tot belangrijke VN-commissies zou gaan verlaten. Het is uiteindelijk toch gebeurd, snel na mijn voorzitterschap. Ik betreur dat nog steeds.

Met voldoening kijk ik terug op mijn lidmaatschap van de Commissie Emancipatiezaken onder voorzitterschap van Joleen Veeneklaas in de jaren tachtig. We voerden interessante discussies, probeerden acties binnen de vereniging op gang te brengen. Ik herinner me de Spiegelkring, die landelijke bijeenkomsten over relevante onderwerpen verzorgde. De organisatie van het VVAO-lustrum van 1988 was mede in de handen van CEZ. Ik mocht de keynote lezing geven tijdens dat lustrum, voor een bomvolle zaal in de aula van de VU Amsterdam. Mooie tijden.

 

*) De expositie ‘In Their Footsteps’ beschrijft 100 jaar VVAO-geschiedenis aan de hand van vrouwenschoenen. De tentoonstelling is nog te zien tot en met 30 juni 2018 in Museum Slager, in de Choorstraat 8 te, Den Bosch.